Preventie Dashboard

Verantwoording

Verantwoording

Hoe en waarom het Tandheelkundig Preventie Dashboard werkt

1. Gingivitis is reversibel

Tandvlees dat bloedt bij sonderen of ragergebruik is een teken van gingivitis, een bacterieel ontstekingsproces dat primair door plak wordt veroorzaakt. Löe et al. toonden in 1965 in een klassiek experiment aan dat gingivitis volledig reversibel is bij consequente plakreductie.[1] Abbas et al. bevestigden in 1990 dat mechanische mondverzorging de bloedingsscores aantoonbaar reduceert.[2]

Dit is het biologische fundament van het dashboard: de toestand die u dagelijks in de praktijk ziet, is bij de meeste patiënten terug te dringen, thuis, door de patiënt zelf.

2. Er is te weinig tijd

De praktijkplanning is ingericht op de tertiaire gevolgen van onvoldoende plakreductie: gaatjes vullen, pockets meten, aanhechtingsverlies vertragen. Dat werk is onmisbaar. Maar primaire preventie, gedragsverandering bewerkstelligen in de dagelijkse gewoonten thuis, dat past structureel slecht in de tijd die is ingeruimd voor een consult. Een tandarts of mondhygiënist geeft instructie, maar kan de gedragsverandering niet van week tot week begeleiden.

Uit declaratiedata en eigen onderzoek valt af te leiden dat preventieve mondzorg in de volwassenenzorg naar schatting 2,5% van de totale mondzorgomzet vertegenwoordigt voor primaire preventie — instructie en begeleiding via M01 en M02 — en 22,5% voor secundaire preventie: gebitsreiniging via M03. Het overige is behandeling, tertiaire preventie. Deze verhouding is een schatting voor de volwassenenzorg: in de jeugdtandzorg worden instructiecodes vaker gedeclareerd omdat de vergoeding daar vollediger is. Een enquête onder 53 tandartsen en mondhygiënisten bevestigt dit beeld en laat zien waarom. (zie Enquête preventie 2023)

3. Een gat van veertig jaar

De eenvoudige indices voor plak en bloeding die routinematig bruikbaar zijn voor herhaalde meting bij individuele patiënten dateren alle uit de periode 1964–1985: de OHI-S (Greene & Vermillion, 1964[3]), de BOP (Ainamo & Bay, 1975[4]), de API (Lange, 1977[5]) en de EIBI (Caton & Polson, 1985[6]). In 1996 organiseerde de American Academy of Periodontology de World Workshop in Periodontics, waaruit de internationale classificatie van Armitage (1999[7]) voortkwam. Deze classificatie vestigde de 6-punts full-mouth periodontal charting bij alle aanwezige elementen als de diagnostische standaard voor parodontiumstatus.

Na 1999 zijn internationaal wel eenvoudige parodontale screeningsindices geïntroduceerd — de PSR (VS), BPE (VK), PSI en PPS — maar deze meten sonderingsdiepte op een 0–4 schaal en dienen uitsluitend om te bepalen of een volledige parodontiumstatus nodig is. Het zijn triage-instrumenten, geen monitoring-indices. Voor plak en bloeding — het dagelijkse gedrag dat gingivitis veroorzaakt en waarop patiënten direct invloed hebben — is na de EIBI (1985) geen nieuwe eenvoudige routineindex ontwikkeld. Voor plak en gingivitis bestaat bovendien geen klinische richtlijn die stelt: bij score X nemen we maatregel Y.

Dat gat — geen eenvoudige routineindex voor plak en bloeding, geen drempelwaarde-richtlijn — is precies wat PAI en PBAI invullen. De parodontiumstatus is en blijft de gouden standaard; PAI en PBAI concurreren daar niet mee. Zij vullen de ruimte die er al veertig jaar ligt: routinematig, herhaalbaar, zonder klinische context.

De PAI (Plaque Awareness Index) is methodologisch een 10-punts vereenvoudiging van de API. De PBAI (Papillary Bleeding Awareness Index) is methodologisch gebaseerd op de EIBI. Beide indices meten dichotoom plak en bloeding op tien vaste interproximale punten — uitsluitend buccaal, van distaal naar mesiaal: vijf ruimtes in het 1e kwadrant en vijf in het 4e kwadrant, startend bij het achterste goed doorgebroken element. Bij thuismeting — zoals in mijngebit — is het frontgebied van hoektand tot hoektand de aangewezen locatie. Voor de PAI kleurt de patiënt aan met een kleurvloeistof; per ruimte is de vraag: plak aanwezig of niet. Voor de PBAI wordt de interdentale papil mechanisch gestimuleerd — met rager, stoker of floss — en geregistreerd of er bloeding optreedt. De EIBI gebruikte uitsluitend een houten tandenstoker; de PBAI laat alle gangbare interdentale hulpmiddelen toe, waardoor de index breder toepasbaar is in de praktijk.

Bij kinderen met een melkgebit — waarbij de buccale vlakken representatiever zijn vanwege de vlakkere overgang tussen de elementen — kan de PAI op de buccale vlakken worden afgenomen.

Beide indices zijn uitvoerbaar door iedere bevoegde medewerker in circa twee minuten.

Doordat PAI en PBAI beide interproximaal meten, vormen zij een oorzaak-gevolgpaar op dezelfde locatie: interproximale plak (PAI) en de bloedingsneiging die daaruit volgt (PBAI). Dezelfde tien punten bij elke meting garanderen longitudinale betrouwbaarheid voor één individu. Het dashboard meet verandering over de tijd, geen absolute waarden en geen vergelijking met anderen.

De PBAI-schaal — 0 tot 100% in stappen van 10% — is een originele bijdrage. Een dergelijke percentageschaal voor routinematige beoordeling van interdentale bloeding is in de literatuur niet beschreven. De drempelwaarden sluiten aan bij de API-bandenindeling van Lange (1977):[5] ≤20% = Optimaal; 30–40% = Goed tot matig; 50–60% = Onvoldoende; ≥70% = Slecht. De enige afwijking: 40% valt in de band "Goed tot matig" in plaats van "Onvoldoende" — een bewuste afrondingskeuze op de 10%-stapschaal, wetenschappelijk verdedigbaar en bewust toegankelijk voor een bredere populatie dan de strikte klinische norm.

4. Gedragsverandering: Self-Determination Theory

Kennis over plak en bloeding is niet genoeg voor duurzame gedragsverandering. Het Tandheelkundig Preventie Dashboard werkt vanuit de Self-Determination Theory van Deci & Ryan[8] — een breed onderzochte theorie over intrinsieke motivatie en duurzame gewoonteverandering in de gezondheidszorg.

SDT beschrijft drie basisbehoeften die gedragsverandering dragen:

5. Spiegels, geen leraren

Het ontwerp van het dashboard volgt het principe "mirrors, not teachers": het systeem toont de patiënt de eigen data, zonder te sturen, te vergelijken of te beoordelen. De grafiek spiegelt. De medewerker is degene die uitleg kan geven.

Het dashboard biedt geen elementen die de behandelaar of patiënt uitdagen tot aanpassing van meetuitkomsten: geen "beste maand"-kaarten, geen ranglijsten, geen badges op basis van scores. Een behandelaar die streeft naar een score-badge loopt risico metingen bewust of onbewust te beïnvloeden. De PAI/PBAI-methodologie vereist objectieve registratie.

6. Terugkoppeling op het juiste moment

Bandura liet in zijn onderzoek naar zelfeffectiviteit zien dat zichtbare vooruitgang de verwachting van eigen competentie opbouwt — de sterkste voorspeller van volhouden.[9] Terugkoppeling werkt het meest krachtig op het moment dat gedrag nog in vorming is: niet als conclusie achteraf, maar als directe bevestiging terwijl de patiënt bezig is. De patiënt die zijn eigen bloedingsgrafiek ziet terwijl u naast hem staat, ervaart precies dat — zichtbaar bewijs dat zijn eigen inspanning effect heeft. De trendgrafiek in het dashboard is geen rapportage maar een instrument dat patiënten van passief naar actief beweegt. Het moment dat een patiënt zijn grafiek bekijkt en zelf een vraag stelt, is het begin van gedragsverandering die stand houdt.

7. Vroege hercontrole

Het dashboard bevat een optionele early recall-functie: de mogelijkheid om een patiënt met een hoge bloedingsscore binnen 14 dagen een vervolgafspraak aan te bieden.

De biologische rationale: Löe et al. stelden in 1965 vast dat het tandvlees bij consequente mondhygiëne twee weken nodig heeft om te herstellen.[1] Op dag 14 is het resultaat van de inspanningen van de patiënt — als hij interdentale reiniging heeft weten vol te houden — voor het eerst meetbaar zichtbaar. Een vervolgmeting op dat moment levert objectieve klinische data én geeft de patiënt de eerste concrete bevestiging dat het werkt.

De early recall-functie is tevens een onderzoeksinstrument: het dashboard registreert het acceptatiepercentage en de PAI/PBAI-uitkomsten bij vroege versus reguliere hercontrole. De vergelijking tussen beide groepen is één van de primaire onderzoeksvragen van het platform.

Literatuur
  1. Löe H, Theilade E, Jensen SB. Experimental gingivitis in man. J Periodontol. 1965;36:177–187.
  2. Abbas F, Voss S, Nijboer A, Hart AAM, Van der Velden U. The effect of mechanical oral hygiene procedures on bleeding on probing. J Clin Periodontol. 1990;17(3):199–204.
  3. Greene JC, Vermillion JR. The simplified oral hygiene index. J Am Dent Assoc. 1964;68:7–13.
  4. Ainamo J, Bay I. Problems and proposals for recording gingivitis and plaque. Int Dent J. 1975;25(4):229–235.
  5. Lange DE, Plagmann HC, Eenboom A, Promesberger A. Klinische Bewertungsverfahren zur Objektivierung der Mundhygiene. Dtsch Zahnärztl Z. 1977;32(1):44–47. parodontitis.com/approximaler-plaque-index-api.html
  6. Caton JG, Polson AM. The interdental bleeding index: a simplified procedure for monitoring gingival health. Compend Contin Educ Dent. 1985;6(2):88–92.
  7. Armitage GC. Development of a classification system for periodontal diseases and conditions. Ann Periodontol. 1999;4(1):1–6.
  8. Deci EL, Ryan RM. Self-determination theory in health care and its relations to motivational interviewing: a few comments. Int J Behav Nutr Phys Act. 2012;9:24. doi:10.1186/1479-5868-9-24
  9. Bandura A. Self-efficacy: Toward a unifying theory of behavioral change. Psychol Rev. 1977;84(2):191–215.